Deugdethiek


Aristoteles 2, Tongeren, P2 15-16

‘Geluk’ betekent in deze ethiek zoiets als ‘zelfverwerkelijking’, ‘ontplooiing’, ‘optimaal tot ontwikkeling komen’, ’tot bloei komen’.

Een deugd is een houding, een attitude, een karaktertrek, een dispositie. Vriendelijke handelingen komen voort uit een vriendelijke houding. Nog belangrijker is, dat onze houding ook voor een groot deel bepaalt wat we waarnemen en hoe we iets waarnemen.

De deugdethiek gaat ervan uit dat houdingen niet alleen bepalend zijn voor hoe we handelen, maar dat we andersom zelf voortkomen uit handelingen. Met elke handeling zetten we een ‘kras’ op de plaat die we zijn. Ons karakter is als het ware het patroon van krassen dat we door ons handelen tot stand brengen en dat bepaalt hoe we verder zullen handelen. Zo’n patroon wordt weliswaar steeds definitiever, maar ligt nooit helemaal vast; de vorming ervan heeft zolang we leven geen einde!